Er zijn veel stomste dingen die je kunt doen en een daarvan is het idealiseren van het leven in de natuur. Het leven in de natuur is vaak hard en onvoorspelbaar. Vijanden en ziektes liggen op de loer en van alle jongen die een wild zwijn krijgt zullen er slechts twee zelf ooit jongen krijgen. De rest sterft ergens onderweg.
Het toeval speelt daarbij een grote rol. Soms zit het mee. Dan brengt een zwijnenpaar een heel nest van acht biggen groot, maar het kan dus ook tegenzitten en het zit vaak tegen.
Hoe anders is dat bij de tamme vleesvarkens. Die hebben wel een idyllisch leven waarin ze van wieg tot het graf verzorgd zijn en een comfortabel, voorspelbaar leven leiden. De zeug mag de laatste week voor de bevalling afwachten in een kraamkooi die haar lichaam past als een jas, De kraamkooi is ervoor bedoeld om te voorkomen dat de zeug op haar jongen gaat liggen, maar dat is niet het enige doel zoals we verderop zullen zien.
Als de biggetjes geboren zijn worden ze door de moeder gevoed. De moeder kan zich weliswaar niet omdraaien in de kooi, maar kan nog net wel gaan liggen, zodat de kleintjes bij de tepels kunnen.
Daarbij doet zich wel een klein probleempje voor. Er zijn regelmatig meer jongen dan de moeder tepels heeft. Dat is een beetje een wedloop geworden in de door de mens veroorzaakte evolutie van het varken. Het aantal jongen per worp is steeds iets groter geworden en dat geldt ook voor het aantal tepels per zeug, maar het eerste is net iets sneller gegaan. Dat is niet zo gek, de ruimte op de buik van de zeug is beperkt en om er meer tepels bij te krijgen zou het varken steeds langer moeten worden. Maar dat leidt er dus toe dat de zwakste biggetjes er niet in slagen om voldoende voeding binnen te krijgen. Die vallen helaas uit, maar dat heeft de boer ingecalculeerd. 20% sterfte voor de 10e week hoort erbij. En zo blijven de sterkste over.”
Enige dagen na de geboorte is de zeug er getuige van dat de prachtige krulstaarten van haar jongen met een brander weggebrand worden of met een schaar afgeknipt. Dat is natuurlijk even niet zo prettig voor de jongen, maar het is voor hun bestwil, opdat ze straks als ze in een hok zitten niet aan elkaars staart gaan bijten.
En dat geldt ook voor het afvijlen van hun hoektandjes. Ook niet echt leuk maar om dezelfde reden noodzakelijk.
Als dat branden en vijlen plaatsvinden zou de moederzeug haar jongen daartegen willen beschermen maar de kraamkooi voorkomt dat en na enige tijd is ze het hele voorval alweer vergeten als de kleintjes door haar gevoed worden.
Heeft het biggetje de pech een beer (mannelijk varken) te zijn en is hij bestemd om vlees voor de export te leveren en dat is bij ruim 40% van de beren het geval, dan wordt hij na twee tot drie weken gecastreerd, onder verdoving hoor, nou ja, met CO2 en dat is niet fijn, maar ze krijgen ook een injectie tegen de napijn en hoewel dat het trauma van de verdoving niet wegneemt zorgt het wel voor minder napijn en minder ontstekingen. Zolang de pijnstilling werkt dan.
Ook voorspelbaar is het afscheid van de jongen. Dat gebeurt volgens een vast ritme, al weten moeder en jongen dat niet. De jongen worden na 21 dagen opgepakt en met de jongen van andere zeugen in een hok gezet, een vast en voorspelbaar aantal per vierkante meter, 5 om precies te zijn. Ze worden dan gespeend zoals dat heet en drinken dus niet meer bij de moeder. Rond deze tijd of een week later krijgen de kleintjes een oormerk. Afhankelijk van de aard van het varkensbedrijf blijven de biggen op de locatie of worden ze naar een ander bedrijf vervoerd. Dan zien ze nog eens wat.
De moederzeug mag dan uit de kraamkooi, om in een andere ruimte, de dekstal, opnieuw tussen ijzeren stangen opgesloten te worden, in een inseminatiebox. Ook daarin kan ze zich niet omdraaien. Elke dag wordt er een zoekbeer voor haar langs geleid. Als ze daarop reageert door te verstarren … weet de boer dat ze berig is en zet hij een streep op haar rug. De volgende dag voelt ze dat er van achteren iets in haar gestoken wordt, een spermarietje. Dat is een wat gek gevoel dat ze niet begrijpt, maar er gebeurt in zo’n stal zoveel dat ze niet overziet, met haar kop richting een blinde muur, zonder dat ze zich niet om kan draaien, dat dit er ook wel bij kan en het doet geen pijn en is snel voorbij. Als ze na een dag of tien bewezen drachtig is mag ze naar de groepsruimte waar ze samen met andere zeugen verblijft. Ze heeft dan vanaf zeven dagen voor de bevalling, tot 21 dagen erna in een kraamkooi geleefd en 10 dagen, of wat langer als de inseminatie niet in één keer lukte, in een inseminatiebox geleefd. Zo’n 40 dagen tussen stangen per zwangerschap, ruim een kwart van haar volwassen leven.
De zoekbeer mag wel voor de zeugen langslopen, maar daar blijft het bij. Zijn taak is de boer helpen om vast te stellen of de zeug gedekt kan worden, al is dekken niet helemaal de juiste term. Daarna mag hij weer naar zijn hok waar hij in eenzaamheid kan dromen over geile escapades.
De jongen leiden ondertussen hun voorspelbare en comfortabele leven in hun hok met de jongen uit verschillende nesten, lekker binnen, geen last van de regen en dat het wat donker is zo zonder daglicht houdt ze rustig. Als ze een gewicht van 15 kilo bereikt hebben krijgen ze iets meer ruimte, 0,3 m2 in plaats van 0,2 m2 en als ze de 30 kilo bereikt hebben krijgen ze een halve vierkante meter tot hun beschikking. Bij 50 kilo 0,65 m2, bij 85 kilo 0,8 en bij 110 kilo een hele vierkante meter, maar dat halen ze meestal niet. Het gewicht waarbij het varken geslacht wordt ligt meestal iets onder de 100 kilo. Het is dan 22 tot 27 weken. Ga er maar aanstaan, een kleine 100 kilo groeien in zo korte tijd, dat is rond de vier kilo per week. En dat is geen record. Een kilo of meer per dag groeien vanaf de tiende week is geen uitzondering.
Varkens zijn van nature schone dieren. Als ze door hun moeder opgevoed worden leren ze van haar om netjes in een afgelegen hoekje te poepen en plassen. Aangezien de moederzeug in de gangbare varkenshouderij haar jongen maar drie weken zoogt en al die tijd in de kraamkooi gevangen zit kan ze deze opvoedkundige taak niet uitvoeren, maar dat is niet erg, want omdat de biggen zo weinig ruimte hebben is het toch niet mogelijk om een rustig hoekje uit te zoeken waar ze zich kunnen ontlasten. Wel leren de biggetjes uit zichzelf dat het prettiger is om zich te ontlasten in het deel van het hok dat een roostervloer heeft waar de plas gewoon doorheen naar beneden sijpelt. En de poep: die helpen ze zelf door de gaten in het rooster door er met hun hoefjes doorheen te lopen.
Nadat de varkens in hun comfortabele hokken voldoende gegroeid zijn en net voordat de groeicurve afvlakt waardoor er meer voedsel in zou moeten om tot dezelfde gewichtstoename te komen, worden ze geslacht. Daar is goed over nagedacht. De slacht, het is natuurlijk niet prettig, maar het hoort erbij. Als er vlees op het bord moet, dan moet het ergens vandaan komen en dan moeten we niet kinderachtig zijn, dan moet het mes erin. De meeste mensen hechten nu eenmaal aan een stukje vlees op tafel, ham op de boterham, een slavinkje bij het avondeten. Dat vinden ze nou eenmaal lekker en ze denken daarbij uitsluitend vanuit hun eigen perspectief en vergeten maar al te graag wat dat voor het varken betekent.
Maar ach dat slachten, dat gebeurt toch met alle zorg. Ik bedoel, we leven in Nederland, daar is alles goed geregeld. Ze worden netjes verdoofd. Dat gaat met CO2, een uiterst pijnlijke en wrede methode, maar het voordeel is dat er geen bloed bij vloeit zodat de argeloze consument er geen slecht gevoel bij heeft en ach dat gevoel van verstikking duurt maar een halve minuut en als het varken dan werkelijk dood is merkt hij niet dat hij aan een haak opgehangen wordt en de broeibak ingaat en anders komt hij daar wel aan zijn eind.
En dan is hun leven voorbij. Hun lichaam wordt zorgvuldig verdeeld, het vlees naar slager en supermarkt, de oren naar China, de haren naar schoenborstels en scheerkwasten. Er gaat weinig tot niets verloren.
De hokken worden schoongemaakt en daarna bewoond door de volgende generatie. In een eindeloze troosteloze cyclus.
