Begrippen
altrenogest: een hormoon dat gedurende 18 dagen aan het voer van gelten toegevoegd wordt. Vijf of zes dagen na stoppen van de toediening wordt de gelt bronstig of berig. Dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat de gelten op hetzelfde moment berig worden als een groep zeugen nadat hun jongen gespeend zijn. Bron. Zie ook een bijsluiter over Virbagest, een merknaam van een product met altrenogest.
Bedwelmen: het verdoven en doden van varkens in het slachthuis door ze bloot te stellen aan lucht met 90% CO2. Dit is in de varkensindustrie de standaard manier om varkens te doden. De Europese voedselveiligheidsorganisatie EFSA concludeerde in een rapport uit 2020: Blootstelling aan CO2 in hoge concentraties (in dit advies gedefinieerd als hoger dan 80% van het volume) wordt door het panel als een ernstig welzijnsprobleem beschouwd, omdat het zeer aversief is en pijn, angst en ademhalingsmoeilijkheden veroorzaakt. Dat is een nette manier om te zeggen dat het barbaars is om op deze wijze dieren te doden.
beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij. volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder. Bron
berig: ook bronstig genoemd. Gemoedstoestand waarin een vrouwelijk varken bereid is tot seks. Ze is dan vruchtbaar.
berenspray: In Canada wordt berenspray gebruikt om wilde beren op een afstand te houden, maar in de varkensindustrie is het een heel ander product. Hier bevat het de ingrediënten die zorgen voor de berengeur. Het wordt gebruikt om vast te stellen of een zeug berig is en om de stareflex te stimuleren. Koop dus nooit alvast berenspray in Nederland als je in Canada gaat wandelen, want dan kan het wel eens slecht met je aflopen.
big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen. Bron
biggentandenkniptang: tang om de hoektanden van jonge biggen deels mee af te knippen om zo de gevolgen van staartbijten te voorkomen. Het is sinds 2009 verboden om hiervoor een tang te gebruiken, omdat het pijnlijk is en kan leiden tot verwonding, maar voor 10 tot 20 euro zijn ze nog volop te koop. Een tandenslijper om de hoektanden mee af te slijpen is al gauw vijf keer zo duur.
broeibak: nadat een varken bedwelmd is met CO2, wat de dood tot gevolg zou moeten hebben, wordt het met een poot aan een haak opgehangen en door een bak met water van 60 graden geleid. Die bak heet een broeibak of broeibad. De bedoeling hiervan is dat de haren van het varken loslaten. Het komt voor dat varkens nog leven als ze de broeibak in gaan. Dat leidt tot verbranding die met hevige pijn gepaard gaat en uiteindelijk de verdrinkingsdood.
couperen: het amputeren van een groot deel van de staart van een big door die af te knippen met een speciale schaar of af te branden. Het afbranden schijnt een aangename geur te veroorzaken. Voor de mens dan.
dekbeugel: beugel van kunststof die voorafgaand aan het insemineren over de onderrug van de zeug geschoven wordt. Ze krijgt daardoor de indruk dat ze bestegen wordt door een beer, waarbij de poten van de beer in haar flanken drukken. Dit zorgt ervoor dat de zeug beter blijft staan.
dekstal: stal waarin (vele) tientallen vrouwelijke varkens in stalen inseminatieboxen opgesloten zijn om geïnsemineerd te worden.
dekken: nog slechts weinig voorkomende manier van voortplanting waarbij mannelijk en vrouwelijk dier tezamen komen en sperma uitwisselen zonder tussenkomst van de mens.
doodliggen: dit is geen kunstje zoals honden dat soms doen in ruil voor een snoepje, maar het pletten van een big doordat de moeder erop gaat liggen.
eindbeer: beer die gebruikt wordt voor de voortplanting. Verschillende soorten eindberen ‘verbeteren’ bepaalde kwaliteiten van de nakomelingen, zoals de groeisnelheid, betere voerconversie of vetgehalte, waarbij ‘verbeteren’ bedoeld is om aan te geven dat de nakomelingen van de beer beter aan de eisen van mensen voldaan wordt, niet dat ze er zelf beter van worden.
euthanaseren: het doden van een varken voor het ‘slachtrijp’ is. Voor deze vorm van euthanasie hoeft het dier geen toestemming te verlenen.
gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden. Bron
gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen en kennelijk bestemd is voor de fokkerij. Bron
gesloten bedrijf: een varkensbedrijf met vleesvarkens dat tevens fokvarkens heeft. De biggen worden dus grootgebracht op het bedrijf waar ze geboren zijn.
gespeend varken: jong varken vanaf het moment dat het bij de moeder weggehaald wordt tot een leeftijd van 10 weken. Bron
gust: een guste zeug is een zeug waarvan de biggen gespeend zijn en die niet drachtig is.
I&R-systeem: Het Identificatie- en Registratiesysteem voor varkens en andere landbouwdieren. Elk varken heeft een uniek nummer Bron.
inseminatie: bevruchten van een vrouwelijk varken. De term komt vaak voor in combinatie met de term kunstmatige.
inseminatiebeugel: zie dekbeugel
karkasgewicht: gewicht van een varken nadat het geslacht is. Het geeft het totale gewicht aan, inclusief botten en andere niet eetbare delen van het varken. Het eetbare gewicht is een kleine 60% van het karkasgewicht.
keu: benaming voor een jong varken. Dit woord wordt niet veel meer gebruikt en is geen onderdeel van de in de wet en de varkenssector gangbare benamingen van verschillende levensfasen, geslachten en bestemmingen van varkens.
KI: Kunstmatige Inseminatie, het bevruchten van een zeug met eerder opgevangen sperma
kraamkooi: stalen kooi waarin een zwangere zeug wordt opgesloten vanaf een week voor de uitgerekende datum tot drie of vier weken na de bevalling. De kraamkooi is iets langer dan het lichaam van het varken en zo smal dat ze zich niet kan omkeren. Ze heeft dus weinig bewegingsruimte en wordt belemmerd in het zorgen voor haar jongen.
Lichamelijke ingreep: volgens de wet is dit een ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties, en met uitzondering van het doden van een dier. Bron.
meerwekensysteem: systematiek voor het begeleiden van groepen varkens in de reproductie, waarbij de werkzaamheden zo verdeeld zijn dat onderdelen van de cyclus zoals het werpen, het spenen en dekken in afzonderlijke weken plaatsvinden. De cyclus van de varkens moet daarvoor gelijk lopen. Dat betekent in de praktijk dat de cyclus van nieuwe gelten met die van oudere zeugen gesynchroniseerd moet worden door hen het hormoon Altrenogest toe te dienen. Het vierwekensysteem lijkt het meest populair.
mucosa: slijmvlies uit varkensdarmen, grondstof voor bloedverdunners
nestgedrag: of nestelgedrag, een paar dagen voor ze gaat bevallen wil een zeug een nest bouwen.
oormerk: een kunststof plaatje dat met een oormerktang in het oor van varkens aangebracht wordt. Het plaatje is voorzien van een uniek nummer dat het dier identificeert. Het kan voorzien zijn van een transponder waardoor elektronische identificatie mogelijk wordt. Dat wordt o.a. gebruikt om dieren toegang te geven tot een voederruimte of die toegang juist te ontzeggen. Het moet bevestigd zijn binnen een week na het spenen, uiterlijk drie maanden na de geboorte of als de big de locatie verlaat.
oormerktang: tang om oormerken in het oor van een varken aan te brengen.
penschiettoestel: ook wel schietmasker, apparaat waarmee een varken gedood kan worden door een pin in het hoofd te schieten. In principe is deze methode minder pijnlijk dan vergassen met CO2, maar het vereist veel vakmanschap om het toestel goed te bedienen en op de juiste positie op het hoofd van het varken te plaatsen.
PRRS: Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome. Ook wel abortus blauw genaamd. Virusziekte die tot verminderde vruchtbaarheid kan leiden Bron.
restbig: big met bijvoorbeeld een kwetsuur die niet in Nederland gegeten mag worden. Deze biggen gaan vaak levend op langdurig transport naar Zuid Europa om daar geslacht te worden. Varkens met ernstige kwetsuren mogen niet vervoerd worden maar de NVWA heeft te weinig capaciteit om dat goed te controleren.
reststroom: product dat overblijft na verwerking van (plantaardige) grondstoffen tot humane voeding. Vaak wordt gesuggereerd dat het duurzaam is om met deze producten dieren te voeden. Veel van deze restproducten zijn echter geschikt (te maken) voor menselijke consumptie. Voorbeelden zijn bierbostel en sojaschroot.
SBI: spenen-bronst-interval, het aantal dagen tussen het spenen en de bronst. Deze varieert tussen vier en zeven dagen. Dit is een van de performance indicatoren in de varkenshouderij.
slachtmerk: ook wel slachtblik, varkens die naar het slachthuis gaan krijgen een extra merk naast het oormerk. Op dit slachtmerk staat het UBN van de laatste locatie waar het varken verbleef. Bron.
slachtrijp: Niet te verwarren met geslachtsrijp. Geeft het moment aan waarop het economisch het meest voordelig is om een varken te slachten. Dat is als verder laten leven leidt tot een ongunstiger voerconversie. Anders dan fruit dat zou gaan rotten als je het niet eet als het rijp is zou een zogenaamd slachtrijp varken nog jaren kunnen leven.
spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug. Bron
stareflex, als een vrouwelijk varken berig of bronstig is verstart ze als een beer in de buurt komt. In de natuur zou er dan seks kunnen plaatsvinden (handig als ze dan stilstaat), maar in een kraamkooi is dat wat lastig en daarom hangt de boer het varken aan een sperma-infuus. Ook lekker.
sperma-infuus: zakje verdund sperma dat boven een berig varken gehangen wordt. Het wordt via een flexibele slang verbonden met een lange pipet die vaginaal ingebracht is. Als het infuus leeggelopen is kan de bevruchting plaatsvinden.
spermarietje: zie sperma-infuus
Tandenslijper: (elektrisch) apparaat om de hoektanden van zeer jonge biggen mee af te slijpen of vijlen. Dit wordt gedaan om de gevolgen van staartbijten te voorkomen. De wet staat het vijlen van hoektanden toe (Bron), mits het niet routinematig gebeurt maar alleen als kwetsuren zijn geconstateerd.
UBN: Uniek Bedrijfsnummer, Elke locatie in Nederland waar varkens verblijven heeft zo’n nummer. Dat geldt dus niet alleen voor locaties van varkenshouderijen, maar ook voor verzamelplaatsen en slachtplaatsen.
varkensring: een stalen ring die in de neus van een varken aangebracht wordt. Een doel is voorkomen dat het varken in de grond gaat wroeten. Ook om het varken aan vast te houden als er handelingen aan het dier verricht worden. De ring wordt aangebracht met, je raadt het nooit, een varkensringtang. Daarmee worden de twee scharnierende delen in elkaar gehaakt. Ze mogen alleen gebruikt worden op advies van een dierenarts.
voerconversie: ook voederconversie genoemd. Maat voor de hoeveelheid voer die op een bepaald moment leidt tot een gewichtstoename van 1 kilogram. Het getal is altijd groter dan 1, omdat dieren voedsel niet alleen omzetten in groei, maar ook in bijvoorbeeld beweging en lichaamswarmte. Men streeft om economische redenen naar een zo laag mogelijk getal. Het cijfer geeft de gewichtstoename aan en niet de toename van de hoeveelheid vlees. Als de voerconversie bijvoorbeeld 2,7 is, is 2,7 kilo voer nodig om een varken 1 kilo in gewicht te laten toenemen. Omdat een varken van 100 kilo 60 kilo vlees levert, is er dan dus 4,5 kilo voer nodig voor 1 kilo vlees. Dat is nog afgezien van het voer dat nodig is om fokzeugen en beren te voeden. Voerconversie is een van de belangrijke performance-indicatoren in de varkenshouderij.
wroetbaar: term die door de dierenbescherming gebruikt wordt voor afleidingsmateriaal dat beschikbaar moet zijn voor varkens die gehouden worden volgens de eisen van het beter leven keurmerk 1 ster. Bron Deze varkens leven echter op een harde vloer en kunnen dus niet wroeten.
wroeten: zoeken naar voedsel door de grond om te woelen. Varkens kunnen in een stal met een harde vloer dus niet wroeten, ook niet als daar ‘wroetbaar’ materiaal ligt.
zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen. Bron; zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen. Bron In het dagelijks spraakgebruik wordt de term zeug gebruikt om een vrouwelijk varken aan te duiden, ook als ze nog geen biggen heeft gekregen, maar het woord zeug komt natuurlijk van zogen.
zeugenkaart: gegevensdrager waarop relevante informatie over zeugen wordt bijgehouden. Vroeger was dat een papieren kaart die in de stal bij het dier werd opgehangen. Tegenwoordig worden de gegevens in digitale systemen opgeslagen. Daardoor werd het mogelijk om veel meer data dan voorheen vast te leggen en je kunt gerust zeggen dat de moderne varkenshouderij datagedreven is.
zoekbeer: mannelijk varken dat voor vrouwelijke varkens langs wordt geleid waardoor de boer aan de reactie van het vrouwelijke varken kan zien of zij berig is. Zij vertoont dan de zogenaamde stareflex. Doorgaans bevinden de vrouwelijke varkens zich tijdens deze parade in een kraamkooi, waardoor de boer eenvoudig een stempel op haar rug kan zet en later ziet bij wie hij een spermarietje moet inbrengen.
zoelen: het nemen van een modderbad, om verkoeling te zoeken bij hitte, ter bescherming tegen zonnebrand, insecten en parasieten Bron.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
